Month: oktober 2024

Plotseling uitval titelrolvertolker in Peter Grimes leidt niet tot scheepsramp


 
 
Tekst: Neil van der Linden

De plotseling uitval van de titelrolvertolker in Peter Grimes leidde niet tot een scheepsramp. Flauwe woordspeling, maar deze opera zit zo vol ongelukken dat De Nationale Opera er nog niet nog één bij had kunnen hebben. Weer flauw. En ook flauw: plotselinge invaller John Findon zong en acteerde uiterst geloofwaardig het wrak waarin het titelpersonage in de loop van deze opera transformeert.

Benjamin Brittens Peter Grimes ging in première in 1945 toen de Tweede Wereldoorlog nog maar nauwelijks achter de rug was. De opera toont hoe volkshetzes tegen ‘de ander’ dood en verderf zaaien. En hoe dat in zijn werk ging had Europa de jaren ervoor op gruwelijke wijze ervaren.

Deze opera gaat over hetzes en hoe een massa gemakkelijk zondebokken zoekt. De ongetrouwde en op zichzelf wonende visser Grimes, wie het in zijn werk bovendien voor de wind gaat, is binnen de bekrompen gemeenschap van het kleine dorp waar hij woont een ideaal mikpunt. Hij is al eens aangeklaagd wegens de dood van een onder hem gestelde scheepsjongen. De opera begint als hij wordt vrijgesproken, omdat naar zijn zeggen hun vissersboot door een storm was afgedwaald en de jongen als gevolg van honger en dorst was omgekomen. Wel adviseert de rechtbank Grimes om geen jongens meer in dienst te nemen.

Toch gaat Grimes op zoek naar weer een jonge varensgezel, omdat hij ze, zoals hij zegt, aan boord nodig heeft, en hij bovendien kansarme jongeren zo aan een bestaan helpt.  Door bemiddeling van een vroegere collega, Balstrode en de dorps onderwijzeres Ellen Orford komt hij in contact met een jongen uit het weeshuis. Intussen stapelen de geruchten in het dorp zich steeds verder op. Als de tweede jongen blauwe plekken blijkt te hebben opgelopen wordt er een klopjacht op Grimes gestart. Grimes vlucht met de jongen, maar daarbij komt de jongen ten val en sterft.

Die val wordt in deze enscenering trouwens erg knap uitgebeeld. Als de dorpelingen hier achter komen, adviseert Balstrode Grimes in zijn eentje de zee op te gaan en daar zijn boot tot zinken te brengen. Een nieuwe dag breekt aan en iedereen gaat weer aan het werk. Het bericht dat in de verte een boot vergaat wekt geen enkele beroering. Het leven gaat verder, net als de beweging van de getijden. (Denk aan Brueghels De Val van Icarus, dat Britten mogelijk kende doordat zijn geregelde tekstschrijver W.H. Auden over dat schilderij had gedicht, en denk ook aan de finale van Bergs Woyzeck, en denk aan de dood van Tchaikovsky).

W.H. Auden gedicht Musée des Beaux Arts (1938):

https://en.wikipedia.org/wiki/Mus%C3%A9e_des_Beaux_Arts_(poem)

Mede gezien Brittens persoonlijke leven, gaat de opera zeker ook over homoseksualiteit, en de vijandigheid van de maatschappij tegen homoseksuelen. Britten kond in 1945 bijvoorbeeld nog niet eens vermoeden dat een paar jaar later Alan Turing, de wiskundige zonder wiens ontcijfering van de gecodeerde boodschappen tussen de militaire eenheden van de Nazis WOII hoogstwaarschijnlijke anders was gelopen, wegens homoseksualiteit gedwongen zou worden om zich chemisch te laten castreren, en vervolgens voor zelfmoord koos.

Britten wist, misschien door een juiste don’t ask don’t tell strategie, te overleven; ook al was zijn relatie met de tenor Peter Pears een publiek geheim. Pears zong de titelrol tijdens de première van Peter Grimes en zou de rol nog vele malen zingen, onder meer op de legendarische Decca opname met Britten zelf als dirigent.

Peter Grimes met Peter Pears, dirigent Benjamin Britten:

Een andere legendarische registratie is die onder Colin Davis met John Vickers in de titel rol, aan wie John Findon wel doet denken, vocaal, vanwege dat beetje gruizige, baritonale in de stem, maar ook qua uiterlijk, breed gezicht, flinke werkhanden.

Peter Grimes met John Vickers, Colin Davis:

John Findon had zich in één dag de mise-en-scène eigen gemaakt en de rol zat hem als gegoten. Ik ben natuurlijk toch ook benieuwd naar Issachah Savage, de tenor die nu vervangen moest worden vanwege keelontsteking, maar die als zijn gezondheid het toe laat wel de rest van de voorstellingen gaat zingen. Als Afro-Amerikaan was hij nog gemakkelijker te typecasten als outsider.

Als het lukt nog eens te gaan kijken valt ook te vast te stellen of Lorenzo Viotti nog verder in zijn aanpak groeit. Het hele ensemble, koor, solisten en orkest, werden nu strak en vitaal geleid. Maar misschien kon het een en ander hier en daar nog geprononceerder. Er zit zoveel duisternis en er zit zoveel emotie in die partituur. Ik was in de gelegenheid zowel de première als de laatste voorstelling van Der Rosenkavalier te zien, en die uitvoering was toen ook duidelijk nog verder gerijpt, juist doordat Viotti deels vlotter met de noten durfde om te gaan.

En nu de regie. Tot de (vele) mooiste passages uit de opera behoren de vier Sea Interludes, atmosferische orkestrale tussenstukken. Die betekenen niet dat er op het toneel niks mag gebeuren, hun sfeer is wel een sfeer van bezinning. Zo werd in deze enscenering alleen de vierde interlude gebruikt: een toneelopening-grote filmprojectie met een onderwater gefilmd gezicht van, als ik het juist heb, de kennelijk verdrinkende of verdronken Balstrode, Leigh Melrose.

Of we hieruit moesten concluderen dat er meer aan hand was tussen Grimes en Balstrode was niet helemaal duidelijk. Maar mooi was het beeld wel. Leigh Melrose’s stem trouwens ook. En zijn acteerprestaties. Niet per se ogend als een scheepskapitein met pensioen, werd hij vaak opgevoerd als degene die de actie op het toneel leidde, en die bijvoorbeeld ook de massa in bedwang houdt tijdens de klopjacht op Grimes aan het eind.

Een andere sterke schakel in het verhaal is onderwijzeres Ellen Orford, acteertechnisch en ook vocaal erg sterk bezet door de Zuidafrikaanse Johanni van Oostrum. Zangtechnisch was de rest van de cast ook prima voor elkaar.

Jammer is dat de regie blijkbaar bang was dat veel van die andere rollen te weinig te doen hadden en dus zien we Auntie, de eigenares van het dorpscafé, hinkend rondlopen met een stok, wat al snel monotoon wordt. En ook al wordt in het libretto gesuggereerd dat de mannen van het dorp ook naar het café komen voor Auntie’s twee aantrekkelijke ‘nichtjes’, het idee dat het café dan tevens bordeel is hoeft ons niet voortdurend worden ingewreven; tot en met een copulatiescene vooraan op het toneel.

Daar kunnen de uitstekende zangers, respectievelijk als Auntie Helena Rasker, als Niece 1  Thembinkosi Slungile Magagula, als Niece 2  Sophia Hunt en als Bob Boles Lucas van Lierop (die op gegeven moment zelfs met afgezakte broek over het toneel moet strompelen en dan natuurlijk struikelt) verder niets aan verhelpen. Maar misschien heeft Britten in dit soort scenes zelf vaak wat veel tierelantijnen aangebracht.

Dat de regisseur ervan uit gaat dat een erotische obsessie met jongens in de opera een rol speelt, of in elk geval een obsessie met jongensachtige puurheid, moge blijken uit het feit dat  tot twee keer toe tijdens zijn optreden een man in een beigewit pak en met beigewitte hoed ten tonele laat verschijnen, een evenbeeld van Gustav von Aschenbach in Luchino Visconti’s verfilming van Thomas Manns Der Tod in Venedig, waarin Von Aschenbach gek wordt van zijn obsessie voor de jonge Tadzio. Britten zou in 1973 trouwens de opera Death in Venice componeren, zijn laatste, ook gebaseerd op Thomas Manns roman.

Brittens Death in Venice in Glyndebourne 1990:

De scènes met twee, drie of vier personages zijn telkens wel goed geregisseerd, simpel, doelmatig, duidelijk. En als het koor als homogene massa optreedt, ziet de groepschoreografie er ook indrukwekkend uit, onder meer in de scenes waar de massa bedreigend moet zijn en er dan ook zo uitziet.

Sterk is ook een scène waarin Britten zelf muzikaal veel tierelantijnen voor op het podium heeft aangebracht, in de gedaante van het tingeltangel-orkestje dat tijdens een dorpsfeest optreedt, en we dat op het podium zien. In het besef van wat er broeit in het dorp ziet dat er ook eng uit, ook omdat je door de belichting de feestvierders nauwelijks ziet.

In een andere enge scène zien we de dorpelingen in de kerk zitten, waarbij de kerkmuren uitgebeeld zijn door horizontale balken, die gitzwart afsteken tegen wat we van de felverlichte kerkgangers zien, waarvan alleen de kruinen, de handen met daarin de psalmenbundels en de bovenbenen zichtbaar zijn.

Qua decor en belichting is ook een beeld vlak voor het slot uitermate sterk: drie verticaal hangende sloepen met daarop filmische projecties van water, alsof ze onder water te drijven. In de de linker en de rechter sloep zien we het ondergedompelde lijk van een jongen, de middelste is leeg; misschien is die bedoeld voor Grimes…. Door de vorm van de drie sloepen en de belichting lijken ze ook op gotische kerkramen. Het is dan dat de voorstelling je echt naar de keel grijpt.

Peter Grimes (1940) van Benjamin Britten (1913-1976) door De Nationale Opera
Muzikale leiding  Lorenzo Viotti
Regie  Barbora Horáková

Peter Grimes  Issachah Savage, John Findon*
Ellen Orford  Johanni van Oostrum
Captain Balstrode  Leigh Melrose
Auntie  Helena Rasker
Niece 1  Thembinkosi Slungile Magagula
Niece 2  Sophia Hunt**
Bob Boles  Lucas van Lierop
Ned Keene  Will Liverman
Nederlands Philharmonisch Orkest

Koor van De Nationale Opera, instudering Edward Ananian-Cooper

Gezien 7 oktober in het Muziektheater Amsterdam

Foto’s: ©  De Nationale Opera | Monika Rittershaus

Behind the scenes:

Een fraaie BBC televisieopname uit 1969:

Trailer voor de enscenering van  Peter Grimes door Willy Decker:

Een p.s.

Over Clair Denis’ Beau Travail waarin zij muziek uit die andere ‘queer pionierende’ opera gebruikt, Albert Herring:



 
 Peter Grimes in Düsseldorf:
petergrimesdusseldorf

Peter Grimes in Gent:
Peter Grimes in Gent: herinneringen aan een prachtige productie

Peter Grimes in Aldeburgh:
Peter Grimes in Aldeburgh

Death in Venice:
Death in Venice: een autobiografisch testament?

Der Köning Kandaules or the lesson not to share your happiness with everyone

In 1938, Zemlinsky fled to New York. In his suitcase was the unfinished opera Der Köning Kandaules. Once in New York, he hoped it would be performed at the Metropolitan Opera.

André Gide



The libretto, based on André Gide’s play, was about a sex scandal that shook an entire royal house and meant the end of an entire dynasty. According to the Greek historian Herodotus, it happened in Lydia in the 7th century BC, when King Kandaules widely spread the word of his wife’s utter beauty as he wanted to share his happiness and also his wife’s loveliness with everyone.



Encouraged by the king and aided by an invisibility ring, Gyges, his beloved bodyguard spends a night with the queen. When she finds out the true facts, she urges Gyges to kill the king after which he himself is crowned king.


Herodotus:

“Gyges,” The queen said, as soon as he presented himself, “there are two courses open to you, and you may may take your choice between them. Kill Candaules and seize the throne, with me as your wife; or die yourself on the spot, so that never again may your blind obedience to the king tempt you to see what you have no right to see. One of you must die: either my husband, the author of this wicked plot; or you, who have outraged propriety by seeing me naked.” (Livius.org)

Antony Beamont


The libretto proved too daring for American audiences, and when Zemlinsky died in 1942, his opera was still unfinished.

Much later the English musicologist and Zemlinsky biographer Antony Beaumont completed the score. In October 1996, the opera was performed in Hamburg, with enormous success. The performance was recorded live and released on the Capriccio label (600712).



The performance conducted by Gerd Albrecht is undoubtedly excellent, and the leading roles are very adequately cast with James O’Neal (Kandaules), Monte Pederson (Gyges) and Nina Warren (Nyssia). In the minor role of Nicomedes, we hear a young debutant, Mariusz Kwiecień.




Salzburg staged the opera in 2002 and the phenomenally cast, live-recorded, performance was released in a very well-crafted edition on 2 CDs (Naïve 3070). The role of Kandaules was sung assiduously by Robert Brubacker and Wolfgang Schöne   was an excellent Gyges. Sweden’s Nina Stemme, then still in the lyrical ˜fach”, sang a fine Nyssia. The Deutsche Symphonie Orcherst conducted by Kent Nagano sounds very exciting.

Part 1:



Part 2:




Our unsurpassed Saturday Matinee performed the opera concertante in November 2007, unfortunately no recording of it exists. A pity, because the conductor Bernhard Kontarsky conducted with great abandon and Stuart Skelton and Jeanne- Michèle Charbonnet were unforgettable as the royal couple.

Gyges (or was it Zemlinsky himself?): ˜Der, der ein Glück hält, soll sich gut verstecken! Und besser noch, sein Glück vor Andern”.







Nederlandse Muziekprijs uitgereikt aan Elisabeth Hetherington

Tekst: Peter Franken

© Nathalie Hennis

Op 22 augustus werd bekendgemaakt dat sopraan Elisabeth Hetherington was uitgeroepen tot winnaar van de Nederlandse Muziekprijs: ‘De meest prestigieuze erkenning voor een musicus in de klassieke muziek, toegekend door het Fonds Podiumkunsten namens het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Minister Eppo Bruins zal de prijs op vrijdag 4 oktober 2024 overhandigen in concertgebouw de Doelen in Rotterdam,’ zo luidde het persbericht.

Afgelopen vrijdag was het zo ver en voorafgaand aan de uitreiking gaf Hetherington een concert dat haar muzikale voorkeuren op een afgewogen wijze wist uit te lichten. Naast veel barok ook intermezezzi met 20e eeuwse muziek: Cavalli naast Stockhausen. Nu zijn dat beslist niet mijn favoriete genres maar niettemin wist Hetherington me enorm te boeien. Van de vijf kwartier die het muzikale gedeelte in beslag nam was ze er ongeveer vier aan het zingen: een absolute marathon die ze schijnbaar moeiteloos tot een goed einde bracht.

De commissie die het Fonds adviseert inzake de toekenning van de prijs schreef over Elisabeth Hetherington: ‘Met een schijnbaar moeiteloze souplesse en helderheid beweegt zij zich door uiteenlopend repertoire van de renaissance, barok, tot de nieuwste gecomponeerde muziek. Elisabeth Hetherington schakelt met een verbluffende vanzelfsprekendheid tussen intiem en grillig, verstild en beweeglijk. Dit muzikale spel verrast de luisteraar, maakt haar uitvoeringen boeiend en verfrissend, en zet telkens weer de muziek in een nieuw perspectief.’

Ik had die tekst indertijd vluchtig gelezen maar nu ik haar aan het werk heb gehoord kan ik vaststellen dat hiermee de spijker op zijn kop wordt geslagen. Behalve met haar zang weet Hetherington ook bijna achteloos het publiek ‘toe te spreken’ met haar stralende lach waarmee ze lijkt te zeggen: ‘Mooi hè, dat was goed gelukt, wat gebeurt er nu weer?’ Dat laatste slaat vooral op de overdaad aan dissonanten en regelrecht lawaai in Stockhausens ‘Tierkreis’, althans zo heb ik het ervaren. De bijdrage van de tweede eigentijdse componist: ‘ Dialogues’ van Lior Navok, beviel me beter. In dit stuk liet Hetherington vooral horen waartoe ze in technisch opzicht in staat is. Overigens maakte ze haar entree met ‘The musician’ van Miroslav Srnka, een stuk dat ook wel op mijn waardering kon rekenen.

Voor het overige liet Hetherington vooral barok horen: werk van Cavalli, Monteverdi, Sartorio, Benedetto Marcello en Purcell, begeleid door het B’Rock Orchestra, een achtkoppig ensemble. Voor het moderne slagwerk was HIIIT verantwoordelijk, twee musici die zo nu en dan voor al HIT leken te brengen. Technisch goed verzorgd maar ik miste mijn oordopjes.

Stabat Mater van Pergolesi door Elisabeth Hetherington & Olivia Vermeulen & Holland Baroque:



Na afloop een mooie toespraak door Viktorien van Hulst, directeur en bestuurder van het Fonds gevolgd door de feitelijke prijsuitreiking door minister Eppo Bruins. Hij memoreerde dat deze prijs al sinds 1981 wordt uitgereikt en vele politieke ‘winden’ had doorstaan en ze zal ook deze politieke wind doorstaan. Uiteraard een keurige speech die zijn ambtenaren voor hem hadden geschreven maar hij maakte er iets heel persoonlijks van.

Midden in zijn verhaald keek hij Elisabeth aan en zei: ‘Ik vind je geweldig.’ En daar was het publiek in de bomvolle Jurriaanse zaal van De Doelen het helemaal mee eens.

Rounds for Voice and Harpsichord (1965) – Luciano Berio:

Ik had Hetherington pas eenmaal eerder gehoord: als Susanna in ‘The divorce of Figaro’ in de Werkspoorkathedraal. Niet bepaald de ideale plek om een goed beeld te krijgen van iemands kwaliteiten.

Trailer of The divorce of Figaro:

.

Nu weet ik dat ze niet alleen zeer verzorgd en welluidend zingt maar ook in technisch opzicht een stemkunstenaar is. Eens kijken waar ik haar in de toekomst meer kan beluisteren, zelfs als het weer barok is.

Nature Boy (Eden Ahbez), uitgevoerd door Holland Baroque en Elisabeth Hetherington:

Foto’s: © Karen van Gilst

Maxim Shalygin’s eerste opera: ijs en lava in een virtuoos pandemonium van klank

Tekst: Neil van der Linden

Ik ben liefhebber van Maxim Shalygins muziek, al tijden. Hij is niet een veelschrijver, maar onlangs nog ging van hem Bleeding in premiere, een stuk voor dertien koperblazers, geënt op Bruckners achtste symfonie (mijn favoriete), onderdeel van het Bruckner Casco festival in het Muziekgebouw.

Bleeding trailer:

Bleeding radiouitzending:

Https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/avondconcert/9c0a8646-ccd1-4765-8f4b-c8155b9da64a/2024-09-24-avondconcert

Als het aan Shalygin ligt komt er een Bleeding voor 26 koperblazers. Severade voor 9 cellisten en 25 nieuw ontworpen instrumenten is al een klassieker.

Severade Cello Octet Amsterdam en Maya Fridman:

Theatrale elementen zijn niet vreemd aan de muziek van Shalygin. Dat wil zeggen: geen loos vertoon, maar wezenlijke hoorbare en zichtbare dramatiek. Maar nu is er ook een opera, Amandante. Of misschien moeten we het een dramatisch oratorium noemen?

De tekst is een collage van teksten op basis van Plato’s Symposion, het verslag van een fictief debat tussen aan aantal vooraanstaande Atheners over de betekenis van de liefde. Hoe ruimdenkend de door Plato opgevoerde beroemdheden – waaronder de filosoof Socrates, de toneelschrijver Aristophanes en rijkeluiszoontje, libertijn en latere radicaaldemocratische veldheer Alcibiades – ook waren, ze waren wel allemaal mannen. Een beetje misogyn, misschien. Om deze reden heeft Van der Woerd een aantal vrouwelijke personages toegevoegd.

Overigens is één van de aansprekendste betogen in Symposion dat van Aristophanes, waarin hij beweert dat er in de oervorm van de mensheid drie seksen waren, vrouwelijk, mannelijk en hermafrodiet, die in volmaakte harmonie leefden. Dat was bedreigend voor de goden, en daarom sneed Zeus de oermensen in tweeën, waarop de twee helften sindsdien zoals bekend nog steeds op zoek zijn naar hun oorspronkelijke zielsverwanten, vrouw-vrouw, man-man en man-vrouw.

In de enscenering door regisseur Aïda Gabriëls is dit vormgegeven doordat de vier zangers, twee vrouwen, twee mannen, gelijkvormig amfibie-achtig gekleed zijn, en geregeld met vieren of twee aan twee, man-vrouw, man-man en vrouw-vrouw een kluwen van lichamen vormen. De achtergrond is een abstract decor met afwisselend groen, rood en blauw licht. De verschillende personages in de tekst worden verder in het midden gelaten. Het groepsconversatie-element wordt uitgebeeld door een zitbank en een stoel midden in het decor waarop en waaromheen de personages zich bewegen. Maar op zeker moment wordt de zitbank gekanteld en schuin op de stoel geplaatst. Het vergaderingsidee wordt opgeheven.

Van de tekst worden alleen flarden geprojecteerd in boventiteling. Ach, vroeger ondergingen we opera altijd zonder boventiteling. Het geeft ruimte om de muziek en het visuele beter te ondergaan. En die is prachtig.

Shalygin wordt nog wel eens ingedeeld bij de minimal music. Voor mij mag dat, gezien zijn veelvuldig gebruik van repetitieve elementen, en hij nam onder meer met voornoemd Severade zelf deel aan een minimal music festival enige tijd geleden in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Maar dan vind ik hem binnen die categorie wel op eenzame hoogte staan, in inventief gebruik van die repetitieve structuren, en de energie die hij weet te verklanken.

Zijn eerdere liedcyclus The Songs of Holy Fools deed mij dan ook aan Moessorgski’s Liederen en Dansen des Doods en zelfs arias uit Tchaikovski’s Eugen Onegin denken, nu waren er ook elementen uit Britten, Szymanowski en Lili Boulanger. En zelfs de verzaligde ensembles uit Richards Strauss’ Rosenkavalier, laat- en post-romantiek dus, en dat alles intussen verweven tussen die virtuoze repetitieve patronen, maar hier en daar zelfs de sereniteit van het barok- en van het romantisch oratorium van bijvoorbeeld Liszt.

Amandante is geschreven voor twee violen, altviool, cello, contrabas en met op de piano Antonii Baryshevskii, die ik begin vorig jaar in Splendor fenomenaal aan het werk zag in het fraaie programma samen met Ekaterina Levental met liederen en solopianostukken van Shalygin. En verder twee sopranen en twee baritons. Paren van identieke stemsoorten, wat het idee uit Aristophanes’ idee van de gespleten oorspronkelijke dubbel-entiteiten verder versterkt.

Opnamen van de repetitie:

https://www.youtube.com/watch?v=BNihqA2nguU

De vier identiek geklede zangers voeren intussen choreografische patronen uit. Muzikaal zijn er af en toe afzonderlijke personages te onderscheiden. De wijnhandelaar die de drank catert heeft iets boertig, de betweter Agathon mag vocaal flink uithalen, Alcibiades zingt extatisch dat hij hopeloos verliefd is (bij Plato op Socrates, maar die is niet geïnteresseerd in fysieke liefdes). Die zitten wel in het libretto maar daarvan krijgen we de tekst niet te zien.

In het gedrukte libretto zijn regieaanwijzingen met allerlei concrete situaties te lezen. De wijnhandelaar klopt aan de deur, evenals een fluitist die de muziek voor het feestje komt verzorgen. Alcibiades komt van buiten de stad over de velden aanlopen, Pausanias die bij de stadspoort aankomt. Maar die scenes volgen elkaar zo snel op en zouden zulke enorme decorwisselingen vereisen dat de regie die vermoedelijk daarom achterwege heeft gelaten, terwijl de muziek die afzonderlijke ensceneringsideeën ook in de wind slaat. Hoogstens zou je kunnen denken dat het groene licht de natuur buiten de stad voorstelt, het rode licht de stad aan het eind van de middag en het blauw de nacht. Maar de titel Amandante… dat ‘dante’: zitten er in die drie kleuren ook de drie rijken van het hiernamaals uit Dante’s Divina Commedia? Hel, louteringsberg en hemel? Het lijkt wel of daar Liszts Dante symfonie even door klinkt.

Het geeft allemaal niet, de muziek sleept je en sleurt je soms mee in een maalstroom van lyriek en emoties, die ruim anderhalf uur voort kolkt. De vaak doldrieste pianopartij van Baryshevskii gaat maar door, de strijkerspartijen volgen zijn afwisselend dissonante clusters en zangerige lijnen, met een extatische coda waarin we een landschap vol beierende kerkklokken lijken te horen. En het zangerskwartet zingt virtuoos de tussen dramatisch en belcanto fluctuerende sopraan- en bariton-partijen.

Door de uitgelichte zinnen uit het libretto krijgt de boventiteling iets pamflettistisch. De proloog heeft trouwens de titel ‘Fuck ideas not women’. Verderop wordt bijvoorbeeld de zinsneden “Love justifies the means” van het ene vrouwelijke personage gevolgd door “Be mean love justifies” van het andere uitgelicht. Vervolgens “Love is all about selections. Nature has its predilections” en “The best activity to help diversity is promiscuity.” Deze ideeën hadden zo uit een handboek van de beruchte macho-influencer Andrew Tate kunnen komen. Misschien dat daarom, buiten het libretto om, naarmate de voorstelling vordert, een aantal teksten over femicide worden geprojecteerd, moord op vrouwen, veelal binnen de huiselijke kring.

We komen te weten dat het hoogste percentage huiselijk geweld met dodelijke afloop voor vrouwen voorkomt in El Salvador, dat met name Hongarije en Polen het slecht doen in Europa, maar ook het Westen van Europa is er verre van vrij van.

In het slotbeeld zien we in een videoprojectie een wapperende vlag van zwarte haren zwarte haren tegen een strakblauwe lucht. Een schril contrast.

Maxim Shalygin is uit Oekraïne afkomstig. De productie is een samenwerking van het Muziekgebouw Productiehuis met het Oekraïense Nova Opera. Bij het applaus verscheen dan ook een Oekraïense vlag.

Amandante van Maxim Shalygin, tekst Paul van der Woerd
Nova Opera
Mikheil Menabde dirigent
Aïda Gabriëls regisseur
Maryana Golovko sopraan
Anna Kirsh sopraan
Andrii Koshman bariton
Ruslan Kirsh bariton
Antonii Baryshevskyi piano
Fiona Robertson viool I
Ernst Spyckerelle viool II
Oksana Mukosii altviool
Ketevan Roinishvili cello
Silvia Gallego contrabas

Gezien 2 oktober in het Muziekgebouw aan ’t IJ Amsterdam.

Foto’s met dank aan Olena Soroka.

Ingetogen concert van het Koreaans Nationaal Symfonie Orkest, waarin sopraanlegende Sumi Jo werd geëerd.

Tekst: Neil van de Linden

© Neil van der Linden

Van een land in puin na de tweede wereldoorlog is Zuid-Korea opgeklommen tot de 14e op de ranglijst van rijkste economieën. Nederland staat 17e op die lijst.

En Nederland is na de VS de grootste importeur van Koreaanse kimchi, de oergezonde gefermenteerde kool. De boer mag dan volgens het volksgezegde niet eten wat hij/zij niet kent, maar de rest van Nederland is culinair blijkbaar minder xenofoob.

Toch heeft de Westerse muziekwereld zich decennialang afgevraagd of mensen uit Korea, Japan, Taiwan, Hong Kong en China ‘onze’ muziek wel konden begrijpen. Ook al riepen we tegelijkertijd dat die universeel is. Grote kwesties, waar ik nu verder niet te veel op in ga in het kader van deze recensie. Wat Korea betreft hoef je alleen maar te denken aan de al decennia ‘volwaardig’ geaccepteerde violist Kyung-wha Chung en haar broer de pianist en dirigent Myung-whun Chung.

En aan Sumi Jo, de sopraanvirtuoos die eind jaren tachtig doorbrak. Zij was protégée van Herbert von Karajan en werkte (o.a.) met Solti in Un Ballo in Maschera (live op dvd opgenomen) en zijn CD opname van Die Frau ohne Schatten;  Eliot Gardiner en Bonynge.

Sumi Jo als Oscar in Un ballo in Maschera onder Solti:

Een tijd lang was ze dé Koningin van de Nacht,

“Der Holle Rache Kocht In Meinem Herzen”:

maar ze nam ook minder bekende Rossini opera’s op. En niet te vergeten Manon van  Auber.

Sumi Jo in Manon van Auber:

Relatief laat in haar carrière in 2013 zong ze Adalgisa in een ‘authentieke’ opname van Norma, een lichte sopraan in plaats van de gebruikelijke mezzosopraan, tegenover Cecilia Bartoli als Norma en John Osborn als de ook relatief licht gehouden tenor-rol van Pollione.

Haar laatste CD met klassieke muziek, Scarlatti en Handel tot en met Nadia Boulanger, stamt uit 2021 en was met I Musici, het ensemble met een naam uit het verleden.

Sumi Jo is nu 61 en kijkt dus ook uit op een rijk verleden.

© Neil van der Linden

Ze trad nu aan met het Koreaans Nationaal Symfonie Orkest. Op het repertoire stonden Donizetti’s  “Chacun le sait” uit La fille du régiment,  “As spring approaches over a river” van de componist die als K.Lee in het programma vermeld stond,  Bellini’s  “Casta diva” uit Norma en als toegift een ‘Korean Song’.

https://www.facebook.com/watch/?v=498046314688648

Donizetti en Bellini zijn veeleisend en we moeten vaststellen dat Sumi Jo niet helemaal meer aan die eisen kan voldoen. De bovenste noten van het vereiste register komen er niet gemakkelijk meer uit en lager is er flink wat vibrato nodig. Toch imponeerde ze als persoonlijkheid en de noten die goed zaten, zaten ook goed. In de twee andere stukken had ze het gemakkelijker. Vergelijk die stukken met de manier waarop Chants d’Auvergne van Canteloube ook niet het uiterste aan belcanto virtuositeit vereisen maar wel persoonlijkheid.

Wie K. Lee is heb ik niet kunnen nagaan. Op het internet zijn verschillende Koreaanse componisten te vinden die aan de omschrijving zouden kunnen voldoen. Intikken van de titel van de compositie levert ook geen nadere informatie op. In elk geval was het een aangename musical of filmmuziek-achtige compositie.

Het concert werd gegeven ter gelegenheid van de National Foundation Day, de dag van de stichting van de natie, die teruggaat tot de vorming van de eerste Koreaanse staat Gojoseon in 2333 voor Christus. Er is nog een nationale dag, 15 augustus, de bevrijding van de Japanners in 1945 aan het eind van WOII. Korea moest toen nog de Korea-oorlog meemaken, van 1950 tot 1953, en het land is nog steeds in tweeën verdeeld. Het economisch succes waaraan ik refereerde gaat over Zuid-Korea.

Het is wel bijzonder dat Korea Nederland uitkoos om dit concert te laten uitvoeren. Het wordt over een paar dagen herhaald in Bratislava; Korea heeft een aantal fabrieken in Slowakije staan, onder meer van Samsung en Hyundai. En toch gingen wij als Nederland voor.

De zaal was niet uitverkocht, maar wel redelijk gevuld. Met een onder meer een talrijk Koreaans publiek. Als de arthouse bioscoop LAB111 weet het in Nederland wonende Koreaanse publiek ook de weg daarheen te vinden als er een Koreaans filmfestival is; en de Koreaanse arthouse cinema behoort overigens ook tot mijn favorieten. Sowieso onderscheidt Korea zich ook altijd bij beeldende kunst, foto- en design manifestaties.

Het programma werd via de programmatoelichtingen geafficheerd als Tchaikovski en Schumann concert. Tchaikovski omdat vóór Sumi Jo diens Rococo Variaties werden gespeeld, met de jonge cellist Jaemin Han als de soliste. In de ouverture uit Die Zauberflöte die hieraan nog voorafging was duidelijk dat het orkest fraai gedisciplineerd speelt. Welluidend, en de warme klank kwam in de Rococo Variaties nog duidelijker naar voren. Jaemin Hans cello kwam daarbij fraai geprononceerd naar voren. Wel waren orkest en solist wat aan de voorzichtige kant.

Jaemin Han | jaemin-han.com

Dat lag misschien ook aan de dirigent, die er vooral op uit leek alles strak te houden. Toen Jaemin Han een toegift gaf, een melodie van Tchaikovski uitgevoerd op cello solo, bleek dat hij qua emotie nog wel meer in huis had. Ik kan me ook voorstellen dat orkest en dirigent zich inhielden in de wetenschap dat de legende Sumi Jo even later misschien niet helemaal meer aan de verwachtingen van ooit zou voldoen.

Misschien sprak dat ook uit de ook wat keurige uitvoering van Schumanns vierde symfonie. Nogmaals, het orkest klinkt fraai maar je zou willen dat het de randjes van de partituur meer onderzocht. Men speelde de versie uit 1841 en niet de gereviseerde versie uit 1851. Clara Schumann gaf aan die laatste versie de voorkeur, maar Brahms gaf in 1891 de 1841 uit, tegen de zin van Clara.

Misschien is het mede daarom dat het orkest nog een toegift gaf in de vorm van de vijfde Hongaarse dans van Brahms, waarbij het orkest los kwam.

Bonus: Sumi Jo en Dmitri Hvorostovski live in St. Petersburg 2008:

Het Koreaanse Nationaal Symfonie Orkest, David Reiland dirigent, Sumi Jo sopraan, Jaemin Han cello
Gezien 3 oktober Concergebouw Amsterdam