Month: april 2020
Goerne zingt Beethoven: elke noot doet er toe
Hij is nog maar 54 jaar oud en toch praat hij al over ophouden. Niet, dat zijn stem minder wordt maar hij wil het ‘verval-moment’ niet afwachten. Of het verstandig is dat weet ik niet, vooralsnog is Matthias Goerne op zijn absolute top. Zijn stem klinkt nog steeds fris en zijn interpretatie heeft met de jaren aan de diepgang gewonnen. Men zegt dat hij de beroemdste leerling is van Fischer-Dieskau, maar is dat zo? Een ding is in ieder geval zeker: Goerne behoort tot de crème de la crème wat de vertolkers van de Duitse zangkunst betreft.
Zijn nieuwste cd is geheel aan de liederen van Beethoven gewijd. Het is geen dagelijkse kost. Ook in het Beethoven-jaar worden we voor de zoveelste keer op zijn symfonieën en concerten getrakteerd. Al zijn pianosonates en strijkkwartetten worden uit de kast getrokken of opnieuw opgenomen, maar de liederen blijven nog steeds in de marge steken. Vandaar (onder andere) dat ik de nieuwe cd van Goerne met een enorme ‘hoera’ verwelkom.
In een interview met Paul Janssen zei Goerne: “Het kost veel tijd om die prachtige melodieën, de structuur en het idee achter Beethovens liederen te vatten. In eerste instantie lijken het gewone liederen, maar zo gauw je er in duikt steekt Beethoven iemand als Schubert echt naar de kroon. Hij is zo precies in zijn componeren; elke noot doet er toe.” En dat er elke noot er toe doet, dat maakt Goerne meer dan duidelijk.
Het beste hoor je het in Beethovens bekendste lied, ‘Adelaide’. Logisch, dat kennen we allemaal, net als zijn cyclus ‘An die ferne Geliebte’. Het eerste wat er dan opvalt is zijn zachte en lieve manier van zingen waar de grootste aandacht naar de muziek uitgaat zonder dat de tekst er onder hoeft te lijden. Jan Lisiecki toont zich de meest voorbeeldige ‘partner in crime’, het is alsof de zanger en de pianist elkaar al jaren kennen.
LUDWIG VAN BEETHOVEN
6 Lieder op. 48; Resignation WoO 149; An die Hoffnung op. 32; Gesang aus der Ferne WoO 137; Maigesang op. 52 no.4; Der Liebende WoO 13; Klage WoO 11; An die Hoffnung op. 9; Adelaide op. 46; Wonne der Wehmut op. 83 no. 1; Das Liedchen von der Ruhe op. 52 no. 3; An die ferne Geliebte WoO 140; An die ferne Geliebte op. 98
Matthias Goerne bariton
Jan Lisiecki piano
DG 483 83511
Il combattimento di Ponnelle e Audi, oftewel Monteverdi cycli in Zürich en Amsterdam
Het was geen uitvinding van Pierre Audi om de opera’s van Monteverdi als cyclus te presenteren. Ponnelle ging hem met Harnoncourt voor, en dat al twintig jaar eerder.
De uit jaren de zeventig stammende registraties uit Zürich zijn het resultaat van een nauwe samenwerking tussen de regisseur en de dirigent. Door de zeer consequente regieopvattingen, het gebruik van een vast muziekensemble en dezelfde zangers – die in alle drie de opera’s één van de rollen vertolken – is een drieluik gecreëerd waarin alles op alles is afgestemd. Een volkomen eenheid, versterkt nog door de eendrachtige decors, kostuums en rekwisieten.
De opera’s werden in de studio verfilmd, zo’n half jaar na de opvoeringen, maar het geluid is daadwerkelijk afkomstig van de live voorstellingen.
Mijn gevoelens over het geheel zijn zeer gemengd. Aan de ene kant bewonder ik de sfeervolle, authentieke decors en kostuums. Aan de andere kant hebben de jaren zeventig duidelijk een stempel op het geheel gedrukt. De make-up en pruiken zijn gewoon knudde en, inderdaad, very seventy’s. Dat stoort. Wat verder ook stoort, en niet weinig ook, is het vibratoloze zingen van de meeste zangers
Audi gaf zijn visitekaartje in Amsterdam af met de in 1990 uitgevoerde Il Ritorno d’Ulisse in Patria, het eerste deel van wat een indrukwekkende Monteverdi-cyclus zou worden. De opera’s werden in de loop van de jaren negentig voor de tv opgenomen en zijn nu zowel los als in een prachtig ogende box verkrijgbaar.
Als bonus zit er dan ook (niet los verkrijgbaar) Il Combattimento di Tancredi e Clorinda bij, verrukkelijk gespeeld (of beter gezegd: uitgevochten) door Maarten Koningsberger en Lorna Anderson, en met een prachtig gezongen commentaar van Guy de Mey.
Audi’s regie is gestileerd en zeer esthetisch, wat in de intimiteit van de huiskamer nog wordt versterkt. Anders dan Ponnelle werkte Audi met verschillende zangers, ensembles en dirigenten. Over het algemeen zijn zijn zangers beter dan bij Ponnelle, al is zijn keuze (de dirigents keuze?) voor een bepaald stemtype niet altijd gelukkig.
Een minpunt is het ontbreken van synopsis en er is ook geen tracknummering. De Nederlandse ondertitels krijgen een plusje.
L’Orfeo

Ponnelle roept in zijn L’Orfeo de sfeer van de première in Mantua op, door de voorstelling plaats te laten vinden tussen de schuifdeuren van een paleisje. De acteurs, zangers, balletdansers en musici mengen zich onder het door het koor gespeelde publiek, die dan ook commentaar geeft op het verloop van het verhaal. Prachtig, speels, en zeer overtuigend.
Philippe Hüttenlocher is een niet echt fraai zingende Orfeo en zijn Euridice is het noemen van haar naam niet waard, maar Trudeliese Schmidt is zeer overtuigend als La Musica/Speranza.
Tussen de Spiriti en Pastori ontdek ik verder tot mijn grote vreugde een piepjonge Francisco Araiza, wat mijn waardering voor de uitvoering meteen opkrikt.
Nee, dan de zangers bij Audi, met zowat de mooiste Orfeo ooit: John Mark Ainsley. Een punt erbij.
Maar niet alles vind ik goed. Zo begrijp ik de keuze voor de countertenoren voor de rollen van La Musica en Speranza niet. Zelfs de meest fanatieke ‘authentiekelingen’ deden het niet. Het is niet alleen volstrekt overbodig, maar ook ridicuul. Wiens keuze het was, weet ik niet. Jammer vind ik het wel.
Des temeer daar de te nadrukkelijk nichterige David Cordier niet over de beste stem beschikt, en zo een karikatuur maakt van La Musica. Het lijkt net een travestieshow. Michael Chance zingt wel mooi, maar La Speranza, net als La Musica, hoort door een vrouw gezongen te worden.
Ook met de enscenering ben ik niet altijd gelukkig, en ik snap het nut van het water aan het begin van de opera niet. Het orkest(je) onder leiding van Stephen Stubbs vind ik dan wel heel erg mooi spelen; nog één punt erbij. De stand: 3-2 voor Audi.
Il Ritorno d’Ulisse in Patria

Hier is de wedstrijd niet helemaal eerlijk, want Ponnelle heeft er een film van gemaakt en Audi heeft een nieuwe versie van het verhaal geschreven.
De zangers bij Ponnelle zijn middelmatig. Hollweg (Ulisse en L’Humana Fragilita) schreeuwt zich door de hemels mooie ‘Dormo ancora’ heen en Trudeliese Schmidt is weinig overtuigend als Penelope. Telemaco van Araiza is daarentegen zo wonderschoon, dat ik onmiddellijk twee punten toegeef voor het werkelijk adembenemend mooie zingen (maar hoeveel strafpunten verdient hij dan niet voor het verpesten van zo’n prachtig materiaal?).
Audi (of is het Stubbs?) wil het verhaal maar eens verfrissen en gooit bijna alle goden uit de opera. Waarom? Het doet zo’n enorme afbreuk aan het verhaal! Die gaat namelijk niet alleen over de terugkeer van Ulisse in zijn vaderland, maar ook (of eigenlijk voornamelijk) over een spel dat goden met de mensen en hun lot spelen. Daar klaagt L’Humana Fragilita aan het begin van de opera ook over.
Ook de abrupte overgang van het liefdesduet tussen Melanto en Eurimaco naar de ontwakende Ulisse op het strand in Ithaca is niet logisch. En de reden is? Was de muziek niet van de maestro zelf? Of is het een ‘herinterpretatie’? Niet de goden maar de mensen zelf zijn verantwoordelijk voor hun lot? Maar ja, in dit geval klopt de hele beginscène niet, en komt helemaal los van de rest van het verhaal te zitten.
Maar de enscenering is wondermooi, en de zangers, met Anthony Rolfe Johnson, Graciela Arraya en Alexander Oliver voorop, werkelijk fantastisch. 5-3 voor Audi, maar wel met een gele kaart.
L’incoronazione di Poppea

Deze opera gaat over seks, wellust, machtsverlangen, jaloezie, moord en nog meer van dat soort zaken. Daar profileert Ponnelle zich ook naar. Zijn Poppea (Rachel Yakar) is bloedmooi, uitdagend en zeer geraffineerd. Nero, hier gezongen door een tenor (Erik Tappy) is, ondanks zijn sadistische trekjes, als was in haar handen.
Matti Salminen zet een zeer imposante Seneca neer, en Alexander Oliver is kostelijk als Arnalta. Ook de rest van de cast is heel erg goed, en het decor en kostuums zeer indrukwekkend.




