Dorottya_Láng

Wagnerianisme en Christendom, Liszt’s Elisabeth oratorium

Tekst: Neil van der Linden

Sint Elisabeth van Hongarije door Simone Martini, vroeg veertiende eeuw.

Het oratorium Die Legende von der heiligen Elisabeth was de enige keer dat Liszt zelf als componist dicht bij een opera kwam.In 1848 was hij in Weimar gevraagd om de stad cultureel weer op de kaart te zetten. Hij voerde er in 1849 Tannhäuser uit van zijn schoonzoon Richard Wagner en bracht het jaar daarop zelfs diens Lohengrin in première.

Moritz von Schwind: de vierjarige Elisabeth komt aan in de Wartburg

Weimar was in de middeleeuwen een wereldstad geweest, met onder meer de Wartburg die boven de stad uittorende. De geschiedenis de Elisabeth uit dit oratorium was nauw met de stad verweven. Ze was een van oorsprong Hongaarse prinses. Al toen ze vier jaar oud was, in 1211, werd ze naar Duitsland overgebracht om daar in Weimar te gaan wonen bij de familie van degene met wie ze door de wederzijdse ouders voorbestemd was om te trouwen, de zeven jaar oudere toekomstige landgraaf Lodewijk IV van Thüringen.

In 1221 treedt ze op 14-jarige leeftijd daadwerkelijk in het huwelijk met Lodewijk. Zes jaar later gaat Lodewijk op Kruistocht, maar hij sterft al in Italië aan de pest. Omdat ze Lodewijk bezworen had nooit meer met een ander te trouwen weigert ze een huwelijksaanzoek van haar zwager. Deze neemt haar haar kinderen af en zij wordt beroofd van al haar bezit met inbegrip van de Wartburg. Van paus Gregorius IX krijgt zij een schadeloosstelling en mag ze op slot Marburg gaan wonen, maar ze sterft daar een paar jaar later.

Sint Elisabeth deelt brood uit aan de armen, Edmund Leighton 19e eeuw

In de legendevorming was Elisabeth heilig verklaard op grond van een wonder, het Rozenwonder. Tijdens een hongersnood deelde ze brood uit aan de armen. (Liszt maakt er brood en wijn van, het voedsel van Het Laatste Avondmaal.) Dit alles tegen de zin van haar echtgenoot. Op een dag werd ze buiten het kasteel door haar echtgenoot betrapt met een grote mand, die inderdaad brood en wijn bevat. Maar ze beweerde dat ze het kasteel was uitgegaan om rozen te plukken. Op het moment dat haar echtgenoot in de mand keek waren het brood en de wijn in rozen veranderd.

Karl von Blaas: Das Rosenwunder

Bij een restauratie van de Wartburg in 1853 maakte de schilder Moritz von Schwind een serie wandschilderingen over deze gebeurtenissen. Die vormden de inspiratie voor Liszt dit oratorium. Liszt identificeerde zich mogelijk met Elisabeth, want hij was ook geboren in Hongarije en verhuisde op jonge leeftijd naar het Duitse taalgebied.

Moritz von Schwind: Elisabeth neemt afscheid van haar man

Op de wandschilderingen sterft Ludwig niet in Italië en aan de pest, maar al strijdend in het Heilige Land. Dat gebeurt ook in het oratorium. Veel heldhaftiger toch? Ook al knaagt het bij mij dat zij van deze zogenaamd Christelijke held geen voedsel mocht uitdelen aan de armen. Een beetje het moderne Christianity for the rich.

Moritz von Schwind: Elisabeth verlaat Wartburg

In het oratorium horen we hoe het nieuws van Ludwigs dood het kasteel nog maar nauwelijks heeft bereikt, of Elisabeths schoonmoeder (die zwager komt in het oratorium niet voor), Landgravin Sophie, sommeert haar stante pede het kasteel te verlaten, met kinderen en al, ook al razen op dat moment regen en donder rond de kantelen. Maar ze is de poort nog niet uit of een bliksemflits treft de Wartburg en deze brandt voor straf af.

In werkelijkheid brandde het kasteel niet af en werden haar kinderen haar zoals hiervoor vermeld ontnomen. Maar die kwamen vervolgens allemaal toch goed terecht. Zoon Herman II zou landgraaf van Thüringen worden een één van de dochters, Sofia, trouwde met Hendrik II van Brabant.

Liszt dirigeert de Heilige Elisabeth in Pest, Budapest, 15 augustus 1865

Toen in 1859 Maria Paulowna overleed, de echtgenote van de groothertog van Sachsen-Weimer-Eisenach, de eigenlijke architecte van de plannen om Weimar cultureel weer op de kaart te zetten, was het afgelopen met het budget voor Liszts muzikale expansie. Hij werd weliswaar niet op stel en sprong weggestuurd, maar er was geen reden om in Weimar te blijven en hij vertrok naar Rome, waar hij het oratorium in 1862 voltooide.

Een zekere ironie wil dat dit oratorium een opdracht was van de groothertogelijke familie van Sachsen-Weimar-Eisenach, Duitsers dus, maar dat de verre voorgangers in het verhaal niet zo’n aangename rol speelden, in tegenstelling tot de titelheldin Elisabeth, die van Hongaarse komaf was. Het oratorium is dan ook heel populair gebleven in Hongarije.

De rol van Elisabeths schoonfamilie was historisch sowieso nogal kwalijk. Maar misschien schiep Liszt, nadat hij toch min of meer de laan was uitgestuurd, er toch nog wat extra genoegen om de rol van Landgräfin Sophie extra aan te dikken. Bovendien was Sophie ook de naam van de gehate schoonmoeder van de nou juist bij de Hongaren zeer geliefde Keizerin Elisabeth alias de fameuze Sissi.

Het is via een Hungaroton LP box onder Arpad Joo (inmiddels op CD en Spotify overgezet) dat ik het werk jaren geleden leerde kennen. Sterker nog, ik was er zo weg van dat ik het voorstelde aan regisseur Franz Marijnen, toen die door Gerard Mortier was benaderd om de Vlaamse Opera te gaan leiden. Helaas ging dat allemaal niet door.

Het werk heeft een paar delen die vooral tableau-achtig zijn, wat het tot oratorium bestempelt, maar toch zou het werk scenisch uit te voeren zijn. De muziek is ‘verstilde Wagner’, statischer, vooral pastoraal, en zonder Wagners onderliggende Eros en Thanatos driften. Maar er is een Wagneriaanse Erlösung van een vereniging van het liefdespaar in de dood, al krijgt die bij Liszt – anders dan bij Wagner- religieus vorm in de vorm van een hereniging in de Christelijke hemel.

Maar Liszt laat zich intussen niet de kans ontnemen om van de dialoog tussen Elisabeth en schoonmoeder Sophia een scène op te bouwen à la die tussen Elsa en haar kwaadaardige stiefmoeder Ortrud in Lohengrin. En muzikaal-dramatisch komt de partij van Elisabeth ook geregeld overeen met die van haar evenzeer gedoemde naamgenote uit Tannhäuser. En in de nacht en ontij-scène klinkt het alsof Liszt wist hoe Wagner in Die Walküre het met bliksem en donder zou gaan aanpakken terwijl duidelijk is dat hij ook Berlioz’ muziek op zijn duimpje kende. En goede kans dat Liszt Mendelssohns oratoria kende, Elias ging immers in premiere in 1846, en Christus in 1852. Mendelssohn had zulke ‘Blitzen und Donner’ momenten natuurlijk ook al aangegrepen om zijn oratoria dramatische lading te geven. En daarvoor was hij op zijn beurt al geïnspireerd geraakt door de oratoria van Bach en Handel.

Net als Wagner met zijn pelgrimskoor in Tannhäuser laat Liszt een Kruisvaarderskoor opdraven. In de het openingsdeel voert Liszt naast een volledig koor van volwassenen ook een kinderkoor op. Dat stond op de linker trap van het Concertgebouw opgesteld, in wit gekleed, stralend afstekend tegen de in het zwart geklede overige koorleden en boven het in het geklede orkest. Liszt voert Elisabeth en Ludwig zelfs afzonderlijke op als kind,  hartverscheurend vertolkt door Marwan Linders van het Nationaal Jongenskoor en Philaine Baris van het Nationaal Kinderkoor. Detail is dat de jongenssopraanpartij van Ludwig, de latere Kruisridder, werd gezongen door een jongen met een Arabische voornaam, Marwan.

Het volwassenenkoor, orkest en dirigent waren integraal overgekomen uit Hongarije. De solisten waren ook deels Hongaars. Ironie wil dat de rollen van de van oorsprong Hongaarse Elisabeth en haar Duitse boze schoonmoeder in zekere zin waren omgedraaid, doordat ze werden gezongen door respectievelijk de Duitstalig Zwitserse sopraan Gabriela Scherer en de Hongaarse mezzosopraan Dorottya Láng. Scherer zong lyrisch en dramatisch; niet heel jeugdig, maar toch overtuigend.

Absoluut hoogtepunt was hoe vlak voor haar verbanning haar schoonmoeder smeekt of ze nog één nacht met de kinderen in het kasteel mag blijven; tevergeefs. Maar helemaal verpletterend, zowel qua stem als préséance, was vervolgens Dorottya Láng, in de passage waarin ze het verzoek van Elisabeth afwijst. Hopelijk was er iemand van De Nationale Opera in de zaal.

Ook de mannenrollen waren fraai bezet, ook een gemengd Duits en Hongaars ensemble. Elisabeths schoonvader Landgraf Hermann Friedrich Il was Bogdan Talos, die in de laatste scène – historisch niet correct – de teraardebestelling van Elisabeth leidt en bezingt hoe ze ten hemel opstijgt om zich met haar echtgenoot te herenigen. Talos heeft een krachtige bas maar wist in het laatste deel ook gevoelig de rol van de nu wijs geworden oudere man te vertolken.

De rol van Elisabeths echtgenoot Ludwig is verhoudingsgewijs kort. De jonge bariton Johannes Kammler, winnaar van de Neue Stimmen 2017 en Operalia 2018 prijzen, was gewoon goed. Hij was in de Matinee eerder te zien als Donner in de ‘authentiek’ Rheingold van Concerto Köln onder Kent Nagano. Twee kleinere theatraal minder dankbare rollen werden prima vertolkt door de jonge Hongaarse bas-bariton Zoltán Nagy.

Opmerkelijk: het werk bevat geen tenorrol. Wagneriaans denkend zou je dus kunnen veronderstellen dat Liszt niemand van de mannen een ‘held’ vond, dus ook Ludwig niet.

Mooi dat er weer eens een werk was waarin het orgel kon worden gebruikt. Terwijl Liszt overigens niet in de verleiding is gekomen om dat luid mee te laten spelen. In plaats daarvan weerklinken alleen devote klanken.

Jammer was dat, bij al deze moeite om het oratorium muzikaal perfect te bezetten, het publiek het in belangrijke mate liet afweten. Anders bijvoorbeeld dan bij Mendelssohns relatief eveneens onbekende oratorium Elias vorig jaar. Maar ja, dat was met het ensemble Pygmalion. Toch zou je hebben gehoopt dat het publiek onderhand vanzelf zijn weg vindt naar elke aflevering van dit machtige en machtig interessante genre. En Liszt en de uitvoerenden zetten deze middag gelukkig alles op alles om de wegblijvers ongelijk te geven

Over Mendelssohns Elias door Pygmalion:

Dirigent György Vashegyi is uit de oude muziekpraktijk afkomstig. Hij dirigeerde in de Matinee eerder al Vivaldi en twee keer een opera van Rameau, plus Le roi d’Ys van Lalo. Hij benadrukte het gevoelige, ingetogen karakter van het werk. Alleen tijdens het Kruisvaarderskoor en tijdens het grote onweer als Elisabeth en kinderen het kasteel in weer en wind moeten verlaten is er sprake van fortissimo. En onder Vashegyi’s leiding plooiden orkest, koor en solisten zich naar de akoestiek van het Concertgebouw alsof het hier altijd al thuishoorde.

De Faust symfonie van Liszt is in 2010 al eens aan de beurt geweest. Hopelijk komen er ooit ook plannen voor de eveneens fraaie Dante symfonie, met het vrouwenkoor en de sopraansolo die in etherische momenten die van dit Elisabeth-oratorium nog overstijgen.

Het vrouwenkoor en de sopraansolo uit de Dante symfonie vanaf

Door een technische storing in Amsterdam was de uitzending van dit concert niet mogelijk, de voorgenomen nieuwe uitzenddatum is zaterdag 23 november a.s.
Hans Haffmans presenteerde een alternatief programma vanuit de studio in Hilversum: de opname van Liszts Faust symfonie uit 2010 uit onder James Gaffigan:  

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/9bb98d11-1867-418d-b56a-ed73f5cc75b9/2024-10-12-ntr-zaterdagmatinee

Franz Liszt 1811-1886
Die Legende von der heiligen Elisabeth 1857-1862, oratorium in twee delen, première Pes, 15 augustus 1865
Libretto Otto Roquette, naar Charles de Montalembert La vie de sainte Élisabeth, reine de Hongrie en een serie wandschilderingen in het Wartburg-kasteel van Moritz von Schwind
Elisabeth: Gabriela Scherer sopraan
Landgräfin Sophie: Dorottya Láng mezzosopraan
Landgraf Hermann Friedrich Il: Bogdan Talos bas
Landgraf Ludwig: Johannes Kammler bariton
Ungarische Magnat | Senechal: Zoltán Nagy bas-bariton
Marwan Linders (Nationaal Jongenskoor)
Philaine Baris (Nationaal Kinderkoor)

Hongaars Nationaal Filharmonisch Orkest, Hongaars Nationaal Koor, Nationaal Kinderkoor
György Vashegyi dirigent

Met steun van hete Hongaarse Ministerie van Cultuur en Innovatie

Foto’s:  © Neil van der Linden

Gehoord 12 oktober 2024 in het Concertgebouw Amsterdam in het kader van de NTR Matinee.

Fraaie opnamen van Die Legende von der heiligen Elisabeth onder Ferenc Fricsay:

Hans en Grietje lukt het toch niet om op te boksen tegen de Königskinder.

Tekst: Neil van der Linden

Engelbert Humperdincks Die Königskinder en Hänsel und Gretel tegelijkertijd op de Nederlandse podia! Je kunt dan niet anders dan vergelijken. De beide operas, omdat Hänsel und Gretel hier niet zo vaak is te zien (niet zo vaak als bijvoorbeeld in Duitsland), en Königskinder al zeventig jaar niet te zien was.

De twee operas liggen muzikaal een eeuwwisseling uit elkaar. Daarmee bedoel ik dat Hänsel und Gretel uit kwam in 1893 en Königskinder in zijn definitieve vorm in 1910. Beide opera’s zijn briljant, maar de muziekwereld en trouwens de hele wereld waren veranderd.

Voor beide opera’s waren de libretti geschreven door vrouwen, in het eerste geval door Humperdincks zuster Adelheid Wette-Humperdinck, in het tweede door Elsa Bernstein-Porges. Over haar en over Die Königskinder schreef ik in mijn vorige recensie. Hänsel und Gretel is gebaseerd op het sprookje van de gebroeders Grimm, waar overigens heel wat over te analyseren valt. In Duitsland en in de Angelsaksische wereld werd het al snel een familieopera, met name voor tijdens de kerstdagen.

Dat betekent niet dat een regisseur geen diepgang mag zoeken in het werk. De opera kwam in de tijd dat Sigmund Freud (geb. 1856) volop bezig was ruchtbaarheid te geven aan zijn bevindingen en de tijd dat Carl Jung (geb. 1875) aan het broeden was op zijn ideeën, al zou het tot 1910 duren voordat laatstgenoemde zijn Über Konflikte der kindlichen Seele het levenslicht zou laten zien. Maar al dat broeierige hing al in de lucht; Fin de Siècle, De Schreeuw van Munch uit 1893, Wiener Secession, het Symbolisme – er zijn zoveel aanknopingspunten te vinden voor een diepgravender interpretatie.

Het libretto van Adelheid Wette-Humperdinck mag dan puur tekstueel tamelijk nuchter zijn gebleven, haar nadruk op de ouder-kind verhoudingen, waarbij de moeder haar kinderen door honger gedreven maar ook nogal onverantwoord op een missie naar het grote enge bos stuurt, het grote enge bos dat tegelijkertijd een magische aantrekkingskracht heeft op de kinderen, de heks als gevaar en als alterego-moeder, de andere kinderen die uiteindelijk uit het huis van de heks worden bevrijd, en dan die klankrijke, magische partituur.

De regie beperkte zich echter tot weergave van de opera als traditionele Christmas Pantomime voor de hele familie, zonder verder diep te graven.  In een op zichzelf mooi uitgevoerde animatiefilm tijdens het Vorspiel zien we beelden van een woud, inclusief rennende wolven overgaan naar wat een hedendaagse armoedige woning moet voorstellen, maar die nog het meest lijkt op een jaren-vijftig sociale woningbouw. Zo worden we even in het nu geplaatst. Ik weet niet of je een niet-ingewijd publiek van nu gemakkelijk kunt uitleggen dat een flat in het (inmiddels overigens zwaar gegentrificeerde) Amsterdamse Nieuw-West kan staan voor armoede en niets te eten hebben.

Intussen zong de familie wél de sterren van de hemel. De drie sopranen deden het geweldig, Gretel Sarah Brady, Hänsel Dorottya Láng, de moeder Anna-Maria Dur. De rol van de immer dronken vader geeft aanleiding tot enig schmieren, maar daar worstelde bariton Eddie Wade zich doorheen; ook al moet hij zich laten welgevallen dat hij in de laatste acte door de moeder wordt opgereden in een supermarktkarretje.

In de tweede acte zien we eerst alleen Hans en Grietje, en die krijgen nu helemaal alle ruimte voor hun zangpartijen, waarbij Dorottya Láng als Hänsel ook nog een best overtuigend jongetje speelde. Het beroemde avondgebed klonk wonderschoon.

Vervolgens klonk ook het orkestrale ‘Pantomime’-tussenspel fraai. Behoort dit stuk trouwens niet tot de mooiste muziek ooit aan het papier toevertrouwd? Hier werkte de animatie met bossen, beesten en heksen op bezemstelen ook mooi.

Maar dan komt de scène met het huisje van de heks. Dat was hier uitgevoerd als een spookhuis op een kermis van weleer. Had de decorontwerper naar het prachtige, lugubere spookhuis in de Jordan Peeles film Us gekeken?Alleen in die film is het echt eng en leven we mee met de nachtmerrieachtige wederwaardigheden die een jong meisje binnen in het doolhof beleeft.

Van zoiets was in deze voorstelling minder te beleven. Als dit decorstuk eenvoudigweg omhoog is gehesen staat daar een draaimolen, die verondersteld wordt vervaardigd te zijn van de peperkoek en kandij in het sprookje. De oven van het huisje, waarin later de heks moet verbranden, is hier een popcorn-kraampje. Nu begonnen decor en regieconcept echt aan ouderwetse operaproducties te herinneren.

Het zou kunnen dat deze Efteling-referenties iets oproepen bij kinderen. Maar zullen ook zij dat popcorn-kraampje niet net zo flauw vinden als ik? Ik vraag mij dat ook af als de heks vervolgens travestiet blijkt. Michael Smallwood maakt er een drag-show van. Als zodanig goed geacteerd, en zeker virtuoos gezongen, maar wat betekent deze nogal karikaturale interpretatie? In de opera zijn al jaren niet als zodanig bedoelde travestierollen de revue gepasseerd, waaronder vele prachtige zoals countertenor Jean-Paul Fouchécourt als de Voedster in Pierre Audi’s enscenering van Il Coronazione di Poppeia.

Maar deze heks is een grote dragende rol, en dan zit het campy al snel in de weg. Weg symbolisme, weg Freud emn Jung. Weg archetypes, weg de referenties die je kunt maken aan Königin van de Nacht via Ortrud tot en met Klytemnestra. Of was het idee LHBTQIA+onderwerpen bespreekbaar te maken, bijvoorbeeld bij schoolkinderen? Kies daarvoor dan niet de heks, die verder ook in deze interpretatie in-en-in-slecht blijft. Dat zal het er de leraar in de klas die dit onderwerp wil bespreken niet gemakkelijker op hebben gemaakt.

Ook al was Humperdinck in 1882 de assistent-dirigent geweest van Wagner bij de eerste opvoeringen van diens Parsifal, de muziek van Hänsel und Gretel is eerder ‘Straussiaans’ dan Wagneriaans. En dat kan kloppen want het was Richard Strauss die de première dirigeerde. Met dien verstande dat Strauss op dat moment van zijn substantiëlere composities alleen nog Don Juan en Tod und Verklärung op zijn conto had staan, en nog geen Till Eulenspiegel, laat staat Don Quixote,  laat staan zijn essentiële operas. Dus is het eerder Strauss die Humpdinckiaans werd dan andersom. En is het avondgebed in Hänsel und Gretel niet een voorbode van het slotduet in Der Rosenkavalier? En wijzen verschillende passages uit de sprookjesbos-scenes en het koor van de uit het heksenhuis bevrijde kinderen in Hänsel und Gretel’s derde akte niet vooruit naar de orkestraties en het koor van ongeboren kinderen en van de visjes in de pan in Strauss’ Die Frau ohne Schatten?

Het Noord-Nederlands Orkest wist dat onder directie van Karel Deseure fraai naar boven te halen. Een poosje geleden hoorde ik dit orkest ook al prachtig in Strauss’ Alpensinfonie, no less (onder Hartmut Haenchen).

Hänsel und Gretel is tegelijk met Humperdincks Die Königskinder op de Nederlandse podia te zien. Die voorstelling laat zien hoe diep je kunt graven met ‘sprookjes’. Uiteraard verwerkte Königskinder-librettist Elsa Bernstein-Porges bewust een heel scala aan mythische en Joodse en Christelijke thema’s in haar tekst over een niet herkende Messias (een mannelijke en een vrouwelijke in dit geval), een Verloren Zoon, een Heilige Maagd en een Wandelende Jood, en regisseur Christof Loy had ze allemaal tevoorschijn gehaald. Ik kan mij voorstellen dat ook kinderen daarin meer zien dan in deze Hänsel und Gretel.

Engelbert Humperdinck Hänsel und Gretel
Tekst Adelheid Wette-Humperdinck naar het sprookje uit Kinder und Hausmärchen van Jakob en Wilhelm Grimm
Muzikale leiding Karel Deseure
Regie Paul Carr
Decor- en kostuumontwerp Gary McCann
Peter, de vader Eddie Wade
Gertrud, de moeder Anna-Maria Dur
Hänsel Dorottya Láng
Gretel Sarah Brady
Die Knusperhexe Michael Smallwood
Sandmännchen/Taumännchen Kelly Poukens
Verdwenen kinderen/jongeren Reisopera Kinderkoor/Consensus Vocalis
Noord Nederlands Orkest

Gezien 9 oktober in theater Carré, Amsterdam

Foto’s: © Marco Borggreve

Trailer:

Er zijn veel CD-opnames en videos Hänsel und Gretel.

De evenwichtigste en bovendien mooist opgenomen versie is die onder Georg Solti die de Wiener Philharmoniker dirigeert, met een fantastische Lucia Popp en de weergaloze Birgitte Faesbinder, Annie Schlemm in haar vertrouwde genre als heks (ze was hier ooit een geweldige Klytemnaestra in Strauss’ Elektra in de regie van Harry Kupfer, en ik zag net dat ze -geboren in 1929 – nog leeft; en ja die heks hoort bijna aan Klytemnaestra te zijn)

Die onder Karajan met Elisabeth Schwarkopf, Elisabeth Grümmer en het Philharmonia Orchester uit 1953 is klassiek; volgens de Penguin Guide kun je beter de versie op Naxos kiezen dan die op EMI, die heeft een betere transfer naar CD. Dit is in elk geval een versie van de Karajan opname.

De website van de Reisopera over deze productie:

https://reisopera.nl/programma/haensel-und-gretel

voor de uitgebreide discografie kijk hier:

HÄNSEL UND GRETEL: discografie

recensie van de Köngskinder:

Die Königskinder, de opera van Elsa Bernstein-Porges en Engelbert Humperdinck