Thomas_Beijer

Muziek in het Kamermuziekfestival als boodschapper van tijd en plaats.

Tekst: Neil van der Linden

De wereldpremière van het nieuwe stuk Emthini we Mbumba van de Zuid-Afrikaanse componist, beeldend kunstenaar en filosoof Neo Muyanga opende het derde concert, getiteld “Muziek als Boodschapper”, uit de serie Ritme van de wereld, een nieuwe serie binnen het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht, waarin zoals het festival schrijft via muziek maatschappelijke thema’s worden verkend.

Neo Muyanga uit Soweto, Zuid-Afrika, was vorig jaar artist in residence in Utrecht. Emthini we Mbumba is geschreven voor drie zangeressen en strijkkwartet.  Compositorisch baseert Muyanga zich op structuren uit verschillende Zuid-Afrikaanse muziekculturen, gecombineerd met Europese klassieke stijlen en Amerikaanse jazz. In het Zuid-Afrikaanse openbare leven speelt zang een grote rol. Het is niet voor niets dat we in Europa tegenwoordig zoveel Zuid-Afrikaanse operazangers te zien krijgen. Sopraan Ashley Stapelfeldt is er één van. Zij heeft een Bachelor of Music in Kaapstad en een Master of Music van de Fontys akademie in Tilburg.

De Zuid-Afrikaanse muziek heeft een traditie van meerstemmig zangcultuur.  Ook door het grote publiek worden geregeld massaal meerstemmige liederen aangeheven, bijvoorbeeld het volkslied. Die stijl van meerstemmigheid zit ook in de zanglijnen in Neo Muyanga’s nieuwe stuk. Het was het uitdrukkelijke idee van de componist om het werk te laten uitvoeren door zangeressen met verschillende achtergronden en stijlen.

Naast de in de operatraditie opgeleide Ashley Stapelfeldt traden op de in het eigentijds klassieke gespecialiseerde mezzosopraan Isabel Pronk en jazz-zangeres Anna Serierse. Het stuk is zo geschreven dat de stemmen zich prachtig mengen. Maar tegelijkertijd werd de verschillende technieken en individuele timbres recht gedaan. Het begeleidende Karski strijkkwartet speelt over elkaar schuivende ritmische figuren die aan Afrikaanse instrumentale technieken zijn ontleend. Het format van strijkkwartet geeft het stuk ook een ‘klassiek Europees’ aspect.

In een inleiding las Ashley Stapelfeldt een tekst van Muyanga voor over onder meer de historische contacten tussen Nederland en Zuid-Afrika, die ook met kolonialisme en slavernij te maken hadden, maar ook over de democratie die er nu sinds dertig jaar bestaat en hoe die contacten ook een instrument voor samenwerking en het opheffen van onderlinge grenzen zijn.

Vervolgens zong Ashley Stapelfeldt met het Karski kwartet een bewerking van Richard Strauss’ Morgen. In het openingsstuk was haar stem harmonisch onderdeel van het ensemble, nu kon ze soleren en zong ze het lied uit 1898 van de nog jonge Strauss ingetogen maar stralend helder. Morgen was een lied van hoop, de Eerste Wereldoorlog moest nog komen terwijl Strauss de Tweede Wereldoorlog ook nog zou meemaken (en daarna zijn Vier Letzte Lieder zou schrijven, die soms in een soort cyclisch verband met Morgen worden uitgevoerd).

De Tweede Wereldoorlog speelde een rol in het volgende stuk, Grazyna Bacewicz’ Vierde Strijkkwartet, zo legde Kaja Nowak van het uit Polen afkomstige Karski strijkkwartet uit. Bacewicz’ stuk stamt uit 1951, een tijd waarin Polen, nog steeds in de naweeën van WOII, maar nu onder een steeds repressiever communistisch regime, een eigen identiteit zocht. Bacewicz gebruikte hiervoor elementen uit de Poolse volksmuziek, zij het ‘verstopter’ dan bijvoorbeeld Bartók had gedaan. Kaja Nowak trok een parallel met het Zuid-Afrika van nu, dat dertig jaar nadat het zich heeft bevrijd van oppressie een nieuwe identiteit heeft gevonden.

Het vierde strijkkwart is Bacewicz’ meest gespeelde kwartet en toch wordt het te weinig gespeeld, zo lieten de musici overtuigend horen. Dat te weinig gespeeld worden geldt overigens voor meer werken uit het haar hele oeuvre.

Het Karski Strijkkwartet speelt het eerste deel van het vierde strijkkwartet van Bacewicz:

Mezzosopraan Isabel Pronk zong vervolgens drie delen uit A Lock without a Key van Thomas Beijer. Het werk werd geschreven tijdens de lockdown in de Corona-tijd. Het stuk is een reflectie op een tijd waarin niet alleen ravages plaats vonden in de gezondheid, maar waarin  ook persoonlijke relaties tussen mensen onder externe druk kwamen te staan, zo lichtte Isabel Pronk toe.

A L:ock Without a Key, hier door Pynarell0o en Laetitia Gerarads:

Begeleid door het strijkkwartet sloot jazz-zangeres Anna Serierse af met I got rhythm van George Gershwin. In zekere zin maakte dit een cirkel rond. Gerswhin liet zich via de Amerikaanse jazz immers diepgaand beïnvloeden door Afrikaanse muziek. Serierse bracht met behulp van een virtuoos staaltje scat singing een eerbetoon aan bijvoorbeeld Ella Fitzgerald, die zich als Afro-Amerikaanse jazz-zangeres op haar beurt de muziek van Gershwin eigen had gemaakt.

Gershwin had trouwens ook Oost-Europese wortels. Hij kwam uit een gemengd Russisch-Oekraïense Joodse familie die wegens het toenemend antisemitisme naar de VS was uitgeweken. Men vestigde zich in Brooklyn en het is daar dat George en zijn broer Ira de Afro-Amerikaanse muziek leerden kennen.

Een veelzijdig programma. Jammer dat de solo-onderdelen van Ashley Stapelfeldt en met name Anna Serierse wat kort waren (zo kort dat ik geen eens een foto van Serierse’s optreden heb kunnen nemen).  Maar waarschijnlijk moest alweer plaats worden gemaakt voor het volgende onderdeel van het zeer uitgebreide festivalprogramma.

P.S:  Het Karski Kwartet is vernoemd naar een Poolse verzetsstrijder uit de Tweede Wereldoorlog Jan Karski.

“Emthini we Mbumba – Muziek als boodschapper”, in Ritme van de wereld, onderdeel van het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht.
Gezien 30 dec 2024 Hertz Zaal Tivoli Vredenburg Utrecht

Openingsstatement geschreven door Neo Muyanga, voorgedragen door Ashley Stapelfeldt
Neo Muyanga Emthini we Mbumba (wereldpremière)
Karski Quartet, Ashley Stapelfeldt, Anna Serierse, Isabel Pronk

R. Strauss Vier Lieder: Morgen
Karski Quartet, Ashley Stapelfeldt

Bacewicz Strijkkwartet nr. 4
Karski Quartet

Beijer A Lock without a Key, deel I, III, IV
Karski Quartet, Isabel Pronk

Gershwin I got rhythm
Karski Quartet, Anna Serierse

Foto’s © Neil van der Linden

Coherentie in verscheidenheid: Thomas Beijer speelt Ravel, Escher en Martin

Tekst: Willem Boone

Hoe klinkt ‘music for the mourning spirit’? Ingetogen en introvert of juist dramatisch en donker? Dat vraag je je af bij de cd van de Nederlandse pianist Thomas Beijer met deze titel. Je probeert dan als luisteraar te achterhalen of dit leitmotiv voor alle drie de vertegenwoordigde componisten in gelijke mate opgaat.

Allereerst valt op dat twee van de composities tijdens een wereldoorlog geschreven zijn: Le tombeau de Couperin in 1916 en de Arcana Suite in 1944. Laatstgenoemde suite en de 8 Préludes van Martin zijn overwegend donker van karakter, voor de muziek van Ravel geldt dat juist in deze stukken helemaal niet.

De korte Prélude van Ravel vormt een subtiele opmaat voor de suite Le tombeau de Couperin, waarin de componist in tegenstelling tot wat men zou verwachten geen hommage brengt aan François Couperin le Grand, maar meer aan Franse barokcomponisten in het algemeen. Een ‘tombeau’ was in de zeventiende eeuw een populair muzikaal eerbetoon aan een bewonderd persoon. Ravel gaf dit genre aan het begin van de twintigste eeuw een eigentijdse twist mee in de vorm van een achtvoudige hommage: aan de Franse barokmuziek in het algemeen en verder droeg hij ieder deel op aan een gesneuvelde vriend (de Rigaudon droeg hij aan twee broers op).

Hoewel de componist de verschrikkingen van de oorlog van dichtbij had meegemaakt, zijn de stukken vooral elegant en lichtvoetig van karakter.  Zoals Beijer in de tekst in het cd-boekje schrijft, werd Ravel gekritiseerd voor het feit dat de muzikale grafstenen voor zijn gestorven vrienden meer ‘frivool’ dan ernstig en contemplatief klonken. Hij weersprak dit als volgt: “De doden zijn al verdrietig genoeg in hun eeuwige stilte.” Toch hebben bepaalde delen als de Fugue door de lange lijnen ook iets ‘eeuwigs’ in zich en dat geldt in nog sterkere mate voor de dromerige Rigaudon, een statige dans.

Thomas Beijer © Smon van Boxtel

Beijer schrijft in zijn toelichting dat deze suite tot de bekendste stukken uit de pianoliteratuur behoort, maar toch is het jammer dat het zo weinig gespeeld wordt. Ik kan me maar twee live uitvoeringen herinneren: Sokolov en Chamayou.  Ook Thomas Beijer gooit hoge ogen en doet met zijn subtiele uitvoering alle recht aan Ravels muziek, ook in de afsluitende, virtuoze Toccata.

Van een heel ander kaliber is de Arcana Suite van Rudolf Escher. Ik herken niet helemaal wat Beijer in zijn toelichting schrijft over genoemde suite: “De muziek is inderdaad ‘Ravelliaans’ met een heldere Franse textuur, maar met zijn geheel eigen kleuren.”  Dat die kleuren overwegend zeer donker zijn komt wel duidelijk naar voren.

Dat is al direct het geval in de Préludio, in de Toccata komt daar nog rusteloosheid bij en dezelfde drive als in de Toccata van Ravel.  De Ciaconna klinkt tegelijk dreigend en ingetogen en in de Finale is de muziek precies zoals Escher voorschrijft: ‘tumultuoso & violenza’. Het blijft eeuwig zonde dat de Serie Meesterpianisten opgeheven is, want daarin zou Beijer niet alleen in het voorjaar van 2021 zijn debuut maken, maar daarbij zou hij ook deze suite gespeeld hebben.

De laatste composities zijn de 8 Préludes van Frank Martin, die hij opdroeg aan Dinu Lipatti maar die ze helaas nooit meer heeft kunnen uitvoeren.  Genoemde préludes zijn niet tijdens de oorlog geschreven (1947/48), maar ze zijn wel donker van aard, vooral nr 7. In de nrs 2 en 3 valt meermaals het belang van de bassen op en het vluchtige, ongrijpbare karakter van nrs 4,5, 7 en 8 roepen herinneringen op aan de Visions fugitives van Prokofieff.

De muziek van Escher en Martin verdient het om vaker gespeeld te worden (en zeker zo goed als hier het geval is!) en dat maakt het programma van deze cd tot een coherent geheel!


Gutman Records CD 171